perMens is ontstaan uit een fusie tussen Streetcornerwork en de Volksbond. Jij begon 16 jaar geleden als directeur bij Streetcornerwork. Wat was je achtergrond?
‘Ik heb fysiotherapie gestudeerd en 13 jaar als fysiotherapeut gewerkt. Niet voor ambitieuze amateurvoetballers, maar voor mensen die het echt moeilijk hadden, zoals reumapatiënten of complexe revalidatietrajecten.
Ik werkte toen al graag in samenwerkingsverband, met ergotherapeuten, maatschappelijk werkers en psychologen. Met elkaar kijken wat er nodig is om iemand een stapje verder te helpen. Je kunt niet op één knopje drukken en het probleem oplossen.
De mens is complex. En al ben je als fysiotherapeut de deskundige, de mens moet zichzelf leren genezen. Dat geldt voor iedereen in een moeilijke situatie.’
Van fysiotherapeut maakte je de stap naar stadsdeelvoorzitter Geuzenveld-Slotermeer. Hoe verliep dat?
‘Ik was naast mijn werk als fysiotherapeut politiek actief als deelraadslid. Daarin zitten al parallellen met mijn latere werk als bestuurder van Streetcornerwork en perMens. Jongeren op het Lambertus Zijlplein zeiden: wij krijgen geen hulp. Als jong raadslid vond ik al: er moet jeugdmaatschappelijk werk komen, want deze jongeren komen niet bij het maatschappelijk werk terecht. Dat is er toen ook gekomen.
Er waren boze bewoners en mensen die werden weggepest door jongeren in de buurt. Als stadsdeelvoorzitter leerde ik dat je dit niet als gemeente in je eentje kunt oplossen. Je hebt politie, justitie, hulpverlening en jongerenwerk nodig. Toen leerde ik het straathoekwerk goed kennen.
De opgave in Nieuw-West was groot: jongeren die zich niet gehoord voelden, leerachterstanden, rellen. Ik leerde de complexiteit van deze problemen kennen. Als een ondernemer wordt beroofd door een jongen van veertien, dan moet je naast die ondernemer staan en zeggen: dit moet stoppen.
Tegelijkertijd, als je doorvraagt en hoort wat de achtergrond van zo’n jongen is, begrijp je waar het gedrag vandaan komt, zonder het goed te praten. Maar je snapt dan wel dat er meer nodig is dan het aanbieden van een bijbaantje.
Die ervaringen hebben mijn affiniteit met het straathoekwerk gevoed, en ervoor gezorgd dat ik solliciteerde als directeur van Streetcornerwork. Ik werd aangenomen en ben al gestart voordat mijn bestuursperiode als stadsdeelvoorzitter was afgelopen.’
Wat trok je aan in Streetcornerwork als organisatie?
‘Ik vond Streetcornerwork een fantastische organisatie. Ik vond het bijzonder dat de cliëntenraad stevig vertegenwoordigd was in de sollicitatiecommissie. Zij stelden zulke goede en scherpe vragen, dat vond ik echt briljant. Ik voelde meteen: de cliënten worden heel serieus genomen, er wordt oprecht naar ze geluisterd.
Mijn contacten met de politiek, politie en collega’s van het welzijnswerk kon ik voortzetten. Voor medewerkers stond mijn deur altijd open. Als ik moest kiezen, had ik liever overleg met de werkers in het veld dan met de burgemeester en wethouders, al is natuurlijk allebei nodig, want je moet ze met elkaar verbinden.
Ik heb altijd geprobeerd te besturen vanuit verbinding en samenwerking, niet vanuit macht. Al moet je soms knopen doorhakken en besluiten nemen: in principe doe je het samen.’
Wat zijn voor jou mijlpalen geweest?
‘Grote ijkpunten zijn de fusie en het handboek straathoekwerk, waarmee het straathoekwerk voor het eerst methodisch is uitgewerkt. Dat zijn de grote bewegingen.
Maar ik denk ook aan het project spookjongeren. Vanuit het straathoekwerk signaleerden wij dat er jongeren waren die zich hadden uitgeschreven uit het bevolkingsregister, de zogenoemde spookjongeren.
Met werkers, de gemeente en het WPI hebben we toen een project opgezet om dit probleem in kaart te brengen – het bleek alleen al in Nieuw-West om 400 tot 700 jongeren te gaan -, deze jongeren weer in beeld te krijgen en de problemen waar zij tegenaan liepen structureel te verminderen. Zo voorkwamen we ook dat meer jongeren in de problemen zouden komen.
Maar waar ik uiteindelijk het meest trots op ben, is als ik van collega’s hoor: jij hebt mij toen advies gegeven, waardoor ik mijn jongeren of cliënten beter kon helpen.’
Wat waren de uitdagingen?
‘Streetcornerwork was als kleine organisatie kwetsbaar. We werkten veel samen met de Volksbond, die cliëntparticipatie hoog in het vaandel had staan. Dat sprak mij direct enorm aan.
De opgave van de fusie was te zorgen dat beide partijen na de fusie niet meer weggeconcurreerd konden worden door grotere organisaties, en daarbij hun kwaliteit en eigenheid konden behouden.
Medewerkers gaven aan dat ze bang waren dat het straathoekwerk door de fusie zwakker zou worden, of dat het profiel van de Volksbond zou verwateren. Ik heb toen mijn best gedaan uit te leggen dat de meerwaarde van het straathoekwerk en die van de Volksbond overeind zouden blijven, en zelfs versterkt zouden worden. Inmiddels ligt er een handboek straathoekwerk, is het straathoekwerk een kernfunctie in de sociale basis en hebben we als perMens veel aanbestedingen gegund gekregen.
Het is best uniek dat we én in de sociale basis werken én in de maatschappelijke opvang. Omdat we door al die domeinen heen werken, kunnen we die verbindende rol vervullen, juist voor de zwaardere doelgroepen, waar onze expertise voor nodig is. Op onze verbindende rol hebben we veel positieve feedback van partners gekregen.
Als je nu ziet hoe we inmiddels een grote, gevestigde partij zijn in Haarlem, met Velserpoort, Spaarnezicht en Buurts, en dat we in alle Amsterdamse stadsdelen en Weesp actief zijn, dan zijn dat resultaten daarvan.
Een paar jaar geleden vroegen mensen nog: van welke bloedgroep ben je, Volksbond of Streetcornerwork? Die vraag wordt niet meer gesteld. De historie is iets waar mensen met trots op terugkijken.’
Wat vraagt het van een organisatie, om echt naast cliënten te kunnen blijven staan?
‘Dat medewerkers zich gesteund voelen en de ruimte krijgen om het anders te doen als dat nodig is. Dat je daadwerkelijk mag afwijken, en dat je daar als organisatie de voorwaarden voor creëert.
Als iets ingewikkeld is, zijn er geen simpele oplossingen, en dat moet je ook erkennen.’
Hoe is het gelukt om te groeien als organisatie en voet aan de grond te krijgen buiten Amsterdam?
‘Door open, eerlijk en transparant te zijn. Afspraken nakomen, verbindend zijn. Dan word je veel gegund. Maar die woorden krijgen pas lading door hoe je het daadwerkelijk doet: ‘the proof of the pudding is in the eating’.
De kwaliteit van onze zorg toetsen we onder andere via onze eigen bewoners en cliënten, met de PAja!-methode. (Een cliënttevredenheidsonderzoek waarbij cliënten de leiding hebben: ze bedenken vragen, interviewen medebewoners, beoordelen de voorziening en presenteren de resultaten, red.)
Met PAja! krijg je problemen boven water waar je via vragenlijsten geen zicht op krijgt. Ik herinner me nog goed dat ik naar aanleiding van een PAja! gebeld werd met de mededeling: we hebben een groot probleem op een locatie. De slechte sfeer in het team vertaalde zich naar slechte zorg voor cliënten.
Daar waren we zonder PAja! niet zo snel achter gekomen. En doordat we het wisten, konden we ermee aan de slag. Het was ingewikkeld, maar een paar weken later kregen we van cliënten terug: we voelen ons echt gehoord. Dat is wat mij betreft goud waard.
Verder heb ik altijd geprobeerd niet alleen bestuurder voor perMens te zijn, maar ook voor het gezamenlijke jongerenwerk en de maatschappelijke opvang.
Als je laat zien dat je een partner bent die voor het algemeen belang gaat en met wie goed valt samen te werken, krijg je daar een stevigere samenwerkingspartner voor terug. Mijn overtuiging is: als je vertrouwen geeft, krijg je vertrouwen terug.’
Wat zou je wensen voor de toekomst van mensen in kwetsbare situaties?
‘Erkenning dat sommige problemen gewoon heel complex zijn, en dat het heel makkelijk is om daar polariserend op te reageren: ‘we moeten gewoon meer handhaven’, of ‘we moeten gewoon…’ vul zelf maar in.
Vanuit het besef dat het ingewikkeld is, komen we samen tot structureel betere oplossingen voor mensen in kwetsbare situaties.
Ik hoop dat gemeenten stoppen met pleisters plakken in de vorm van allerlei losse projectjes, en dat ze fundamenteel investeren in professionals die hun vak uitoefenen.’
Wat wens je perMens toe?
‘Dat we kwaliteit blijven bieden, en medewerkers blijven ondersteunen om die kwaliteit te kunnen leveren. Dat we blijven onderzoeken wat werkt en methodisch onderbouwen wat we doen. Dat we doen wat nodig is, en ook durven aangeven wat niet werkt. Kwaliteit komt uiteindelijk boven drijven.’
Tekst: Ilse van der Mierden
Foto: Simone Dweelaard