Wat is je achtergrond?
‘Ik ben op de bar opgegroeid: mijn ouders hadden een café in Callantsoog. Er kwamen allerlei mensen, van zeemannen en tante Martha met haar gouden tand tot juristen en rechters. Mijn moeder kookte soep voor iedereen die dat nodig had.
Wij zagen de mens, niet de zwerver of de alcoholist. Contact maken en vertrouwen opbouwen is daardoor mijn tweede natuur. Daar heb ik in mijn werk dagelijks profijt van.
Na een periode in de tv- en evenementenbranche wilde ik iets betekenen. Na een opleiding psychotherapie startte ik een eigen praktijk. Daarna werkte ik bij het Prostitutieteam in Amsterdam, nu het ACS. Ik deed maatschappelijk werk, online outreachend werk en ging met collega’s langs de ramen. Later was ik vier jaar zorgcoördinator slachtoffers mensenhandel in Flevoland.’
Wat neem je mee naar perMens?
‘Naast mijn ervaring in mijn eigen praktijk voor psychotherapie en mensenkennis, neem ik ervaring met stigma, taboe, grensoverschrijdend gedrag en mensenhandel mee. En de overtuiging dat je altijd achter het gedrag van de mens moet blijven kijken. Zo zie je in de mensenhandelmonitor dat slachtoffers en daders vaak dezelfde achtergrond hebben: een moeilijke jeugd in een complexe omgeving.
Kijk dus niet alleen naar wat een jongere heeft uitgehaald, maar ook dat ‘ie thuis met zeven man in armoede in een krappe flat woont, dat z’n moeder het niet aankan, dat er huiselijk geweld is.
Hoe kan een jongere buiten veilig gedrag vertonen als er thuis geen veiligheid is? Interne en externe veiligheid hebben alles met elkaar te maken.’
Wat kun jij betekenen als vakinhoudelijk coördinator?
‘Ik ondersteun straathoekwerkers, zodat zij hun werk goed kunnen doen. Ik versterk het ambacht, door te ontwikkelen en de kwaliteit te verbeteren.
Wat me raakt in het Straathoekwerk is dat we deze jongeren, die al zoveel hebben gezien en meegemaakt, ontmoeten in hun habitat, en zonder oordeel. Dat we de tijd nemen om vertrouwen op te bouwen. Stap voor stap. Niet sneller dan de cliënt aankan. Dat we er zijn. En wachten tot ze eraan toe zijn om te gaan praten of om hulp te accepteren. Dat is bijzonder. En dat is nodig.
Uit onderzoek blijkt dat een jongere maar één persoon nodig heeft die in hem of haar gelooft om het leven op de rit te willen krijgen. Als wij die persoon zijn, dan doen we het als straathoekwerkers en als organisatie heel goed.’
Wat is je in de eerste maanden opgevallen?
‘Dat straathoekwerk echt een ambacht is. De oude garde neemt de jonkies mee, kennis en ervaring wordt doorgegeven, doordat teamleiders ook Straathoekwerkers zijn geweest. En dat moet ook, want het is een heel specifiek beroep.
Je loopt in je eentje op straat en sluit aan bij jongeren die niet op je zitten te wachten, die niet praten uit schaamte of loyaliteit en waar de maatschappij met een vinger naar wijst. De straathoekwerkers gaan met een plan de straat op. Ze zijn betrokken en oprecht, en dat voelen jongeren meteen. Ze kijken naar het totaalbeeld, niet naar incidenten. Ze laten zich niet leiden door angst, maar door kennis. En ze weten wat werkt.’
Ik vind het fantastisch om te zien dat straathoekwerkers het verschil kunnen maken. Als ze bijvoorbeeld zien dat een jongere geronseld wordt, als ze lonken naar foute gasten, en het ze lukt om diegene daar vandaan te krijgen.’
Wat wil je bereiken?
‘Ik wil digitaal straathoekwerk stevig neerzetten. Jongeren leven gemiddeld zes uur per dag online – TikTok, Insta, games. Het is hun leefgebied. Veel straathoekwerkers zijn daar al, maar het is belangrijk dat het geborgd wordt en structureel onderdeel van ons werk.
Om jongeren te helpen moet je samen met de ketenpartners optrekken. Ik heb veel ideeën over hoe je vaker in elkaar schoenen kunt gaan staan. In die van jongeren, de politie, straathoekwerkers, jeugdhulpverleners, Veilig Thuis, alle betrokken organisaties. Want dat is nodig om elkaar te vertrouwen. En goed samenwerken, dat gaat over elkaar vertrouwen.
Wat mij frustreert? Er zijn straathoekwerkers die soms twee jaar bezig zijn om een jongere binnen te halen, diegene doorzet naar begeleid of beschermd wonen en dat je dan de jongere alsnog kwijtraakt. Doordat een protocol leidend is boven het menselijke contact. Er wordt bijvoorbeeld gezegd: ze is al twee keer niet op komen dagen, ze is niet gemotiveerd genoeg, hij heeft toch weer drugs gebruikt. Die zienswijze, die helpt de jongere niet.
Onze grondhouding moet zijn dat we de jongere en zijn herstel of zijn toekomst centraal zetten. Dat we daadwerkelijk kijken naar de mens achter het gedrag. En dat we dan ook kunnen doen wat nodig is. Dat bewustzijn wil ik creëren.’
Tekst: Ilse van der Mierden
Foto: Sandra Hoogeboom